“We bevinden ons in een tijd waarin zich een paradigma-shift voltrekt” aldus Jim van Os tijdens een Symposium Generale van Hogeschool Saxion op 11 maart 2026 te Deventer. Hij verwijst in een interessante presentatie met als titel “Hoe kunnen psychedelica helpen bij angst, depressie en trauma?” zijdelings naar zijn opiniestuk in het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Nature van 19 februari 2026. Hij stipt het thema haast terloops aan omdat dit onderwerp op dat moment niet centraal staat. Desalniettemin maakt hij veel indruk met zijn oproep DSM in de prullenbak te laten belanden en DSM-5 TR de laatste van zijn soort te laten zijn. “Autisme bestaat niet, laten we liever spreken over een prikkelgevoelig brein dat informatie diep verwerkt maar dat daardoor minder energie over heeft voor flexibiliteit”, aldus Van Os. En daar heeft de Utrechtse hoogleraar een interessant punt. DSM-classificaties zijn constructen van een groep overwegend oude mannen, die onder invloed van culturele en maatschappelijke invloeden vergaderen over hoe psychiatrische stoornissen vorm zouden moeten hebben en al dan niet terecht in het obsolete handboek opgenomen moeten blijven. Zo was in DSM-II en DSM-III homoseksualiteit nog als stoornis opgenomen, maar werd deze “stoornis” onder druk van maatschappelijke kritiek verwijderd.
Het Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders wordt door professionals in de zorg al jaren verguisd, ondanks pogingen er een minder statisch geheel van te maken. Zo verdwenen de vijf assen uit het huidige DSM-5 en werd gepoogd een continuüm toe te voegen waarmee classificaties als autisme minder alles-of-niets en meer op een spectrum (van relatief mild tot relatief ernstig) zouden moeten worden geplaatst. Het mag weinig baten. In de volksmond maar ook niet zelden binnen de GGZ worden mensen tegenwoordig gereduceerd tot hun DSM-classificaties, met alle gevaren van dien.
Psychologisch onderzoek gaat tegenwoordig vóór verlichting van klachten
Binnen de basis GGZ wordt over het algemeen relatief weinig psychologisch onderzoek gedaan, daar is immers geen tijd voor met gemiddeld 8-1o vergoede behandelgesprekken. De “eerstelijnspsycholoog” zoals de psycholoog binnen de basis GGZ ook wel genoemd wordt, zal de klachten middels een intakegesprek in kaart brengen en relatief snel starten met het aanpakken van de kern van de problemen. Binnen de specialistische GGZ, en dan vooral in GGZ-instellingen, wordt tegenwoordig te vaak uitgebreid onderzoek gedaan naar ontwikkelingspsychologische problemen zoals de aandachtstekortstoornis en de autisme spectrum stoornis. Op deze twee gebieden is er de laatste jaren een ware hype waar te nemen. De vraag is vervolgens wat wij hebben aan een dergelijk label. Mogelijk biedt het de client een kader voor zijn of haar klachten, maar los daarvan lost het natuurlijk helemaal niets op. De klachten hebben nu uitsluitend een noemer gekregen.
Een uitgebreid onderzoek dat niet zelden verschillende maanden beslaat en veel dure. specialistische GGZ-uren verder, besluit men alsnog eens een hulpvraaggesprek te voeren en blijkt dat de klachten onveranderd of verergerd aanwezig zijn. Waar de psycholoog in de basis GGZ de behandeling reeds aan het afronden is, start men in de specialistische GGZ de behandeling nu langzaamaan op. Vanzelfsprekend start behandeling niet zelden met een groep gericht op psychoeducatie en leren omgaan met de vers geclassificeerde “stoornis”. Opnieuw gaat een client nog even terug op de wachtlijst totdat er plek is voor deelname in de zojuist genoemde groep. De oorspronkelijke klacht, voor zover deze er is naast de vraag of er sprake is van een ontwikkelingsstoornis, kan nog wel even wachten. Er zijn immers belangrijke algemene adviezen te geven!